Laurent Chambon / MigrantenStudies nr. 2, 2004
Integratie in Frankrijk: mislukking van een sociaal model of van de politiek?
Het
vraagstuk rond migratie en de vrijheid van godsdienst is in Europa verre van
opgelost. Daarbij presenteert Frankrijk zich vaak als vertegenwoordiger van de
harde lijn, bijvoorbeeld door het dragen van een hoofddoek op school te
verbieden, door er de voorkeur aan te geven om de islam uit de openbare ruimte
te weren of door te wijzen op de verplichting om in de openbare ruimte Frans te
spreken.[1]
Hoewel Nederlanders over het algemeen veel weten over hun buurlanden[2],
bestaan er in Nederland toch veel misvattingen over de Franse situatie.
Het
gaat hier om een behoorlijk gecompliceerd onderwerp met een sterke historische
lading. Daarom is het belangrijk om, alvorens
het probleem van de vertegenwoordiging van minderheden in de Franse
politiek aan de orde te stellen, eerst te kijken naar het vraagstuk van de
integratie en de Franse identiteit. Dat zal ik doen aan de hand van een
bespreking van de problemen van etnische verscheidenheid, demografische
ontwikkelingen en de scheiding tussen kerk en staat.
Wat
vaak over het hoofd wordt gezien is dat in Frankrijk een grote verscheidenheid
bestaat aan bevolkingsgroepen en talen. Tot voor kort
kende Frankrijk meer oorspronkelijke culturen dan kazen. De Franse staat,
centralistisch en gericht op de republikeinse waarden, baseert zich op de Franse
taal en op een sterke en uniforme overheid juist omdat het land tot voor kort zo weinig uniform Frans was. Vlak
voor de Eerste Wereldoorlog was de moedertaal van meer dan de helft van de
Fransen niet Frans, maar Bretons, Baskisch, Occitaans, Corsicaans, Elzassisch of
Vlaams of een van de vele streektalen die min of meer verwant zijn aan het
officiële Frans. Tijdens die oorlog zijn talloze soldaten omgekomen omdat ze de
bevelen in het Frans niet begrepen: ze werden terechtgesteld omdat ze die
bevelen niet opvolgden of ze kwamen om op het slagveld[3]
. De Bretonse boeren waren de eerste slachtoffers van dit onbegrip. Maar ze
waren ook, toen de oorlog eenmaal was afgelopen, de eersten die de Franse
‘moderniteit’ meenamen naar hun dorp: door hun kennis van de Franse taal
hadden ze toegang gekregen tot de ideeën van de republiek, waren ze in staat
zich persoonlijk ontwikkelen en zich te bevrijden van het juk van de
alomtegenwoordige katholieke kerk. De 'verfransing' van de republiek werd
weliswaar oplegd door Franstalige regionale elites, maar vormde toch het beste
middel tot emancipatie. Ze heeft ertoe geleid dat de grote meerderheid van de
baby-boomers van na de Eerste Wereldoorlog werd opgevoed met het Frans als
moedertaal, terwijl hun ouders met een andere taal opgroeiden. Veel Fransen
hechten aan de integratie in de Republiek, omdat die al meer dan een eeuw als
succesvol wordt ervaren en het hen mogelijk heeft gemaakt zelf te integreren,
zich te bevrijden van lokale banden en, via de Franse taal, toegang te krijgen
tot een cultuur die hen over de grenzen van hun dorp heen leerde kijken.
Een
andere reden waarom de Fransen zoveel waarde hechten aan de republikeinse
ideologie is de demografische crisis die het land al bijna twee eeuwen in zijn
greep houdt: waar de meeste Europese landen hun belangrijkste demografische
transitie[4]
hebben doorgemaakt in de 20e eeuw, begon die in Frankrijk al veel
eerder, tussen 1750 en 1820, met als resultaat een veel lager geboorteaantal dan
zijn buurlanden. Frankrijk moest het in dat opzicht afleggen tegen andere
Europese naties - in Duitsland en Engeland schoot het geboortecijfer juist
omhoog -, en ook nog eens rekening houden met het ‘gele gevaar’. Vandaar dat
de Franse elite begin 20e eeuw in paniek besloot om vers bloed te
importeren om het platteland opnieuw te bevolken. Jonge, gezonde mannen, voor
het merendeel Italianen, Spanjaarden of Polen, werden uitgenodigd zich in
Frankrijk te vestigen, soms met hun gezinnen. Vrijgezellen werden gestimuleerd
om te trouwen met Franse jongedames of oorlogsweduwen. Men hoopte zo een
bevolking waarvan de demografen een spoedig einde voorspelden[5]
te verjongen en van nieuwe energie te voorzien
Spanjaarden,
Italianen en Polen hadden de voorkeur boven migranten uit de koloniën, waar
toch ook ook miljoenen kandidaten voor handen waren. Die voorkeur was
voornamelijk gebaseerd op raciale en ideologische gronden: Europeanen werden
door de toenmalige demografen beschouwd als ‘overeenkomstig qua ras’, een
gemengd Frankrijk was ondenkbaar.[6]
Daarnaast hadden deze landen, ondanks de formele scheiding tussen kerk en staat
in Frankrijk, een sterke katholieke traditie . De emancipatie van de vrouw was
de demografen bijvoorbeeld een doorn in het oog omdat ze de kans op een groot
gezin zou verkleinen. Zo groeide de bevolking tussen 1918 en 1939 met slechts 2
miljoen inwoners, ondanks het feit dat er 1,7 miljoen mensen uit de Elzas en
Lotharingen waren bijgekomen. Daarom vestigden enkele miljoenen buitenlanders
zich met goedkeuring van de autoriteiten in Frankrijk.
Om
deze migratiestromen (zowel uit Europa als uit de provincies) het hoofd te
bieden, werd het accent gelegd op assimilatie, waarbij instellingen als de
openbare school en het leger een cruciale rol speelden. Daarnaast bevorderde de
staat actief de vermenging van bevolkingsgroepen, onder meer door ambtenaren
stelselmatig over te plaatsen: je kon niet hoofd van een departement, politieman
of onderwijzer worden in je geboortestreek[7].
Terwijl zo enerzijds een snelle verfransing werd afgedwongen, veranderde
anderzijds de betekenis van de ‘francitude’[8]
zelf. Hoe stereotyp het ook mag lijken, Ernest Renans definitie van
de Franse natie in termen van het jus
soli (recht op grond van bodem), overeenkomst door taal en geschiedenis,
staat lijnrecht tegenover het jus
sanguinis (recht op grond van bloed) van de Duitsers. Iedereen kan Fransman
of Française worden, zolang men de republikeinse waarden onderschrijft en in de
openbare ruimte Frans spreekt. Dit idee van een niet-etnische of post-etnische
natie heeft veel te danken aan de principes
van de Franse revolutie, maar pas toen in de twintigste eeuw er sterke
migratiebewegingen op gang kwamen, kon ze in praktijk worden gebracht.
Een
laatste essentiële factor, die volgt uit de eerste twee, is de ontkerkelijking
van de Franse bevolking. Historici zeggen altijd dat de ‘Franciliens’[9]
de grootste en mooiste kathedralen van Europa hebben gebouwd om vervolgens, toen
ze zagen dat dat niets uithaalde, de godsdienst definitief de rug toe te keren.
Hoewel het niet zo simpel was als het leek, en hoewel de wet op de scheiding
tussen Kerk en Staat uit 1905 tot een waar nationaal drama leidde, onderscheidde Frankrijk zich
van zijn buren door zijn beperkte godsdienstigheid, vooral in de regio rond
Parijs. De Republiek bood vele Fransen de mogelijkheid om zich los te maken van
hun geloof, in het bijzonder van de katholieke kerk, met name in afgelegen
provincies zoals de Vendée, Bretagne en de Elzas, waar de godsdienst een macht
had die tegenwoordig nauwelijks nog voor te stellen is. Het feit dat de
scheiding tussen kerk en staat een grote stap vooruit was, had niet zozeer te
maken met de daardoor veroorzaaktede strijd tussen religieuze instellingen, maar
met de vergroting aan keuzemogelijkheden voor Franse burgers.
De
wetten over de scheiding tussen kerk en staat hebben uiteindelijk in het
voordeel van de kerk gewerkt, niet alleen doordat ze haar dwongen haar
leerstellingen te moderniseren, maar ook omdat ze ertoe leidden dat de staat
voortaan financieel verantwoordelijk was voor het onderhoud van haar enorme
kapitaal aan onroerend goed.[10]
Toch heeft het tot 1925 geduurd voordat de katholieke kerk het republikeinse
gezag officieel erkende. Tot die tijd gaf ze de voorkeur aan een monarchistisch
bewind vanweg de politieke en sociale macht die ze daarmee zou behouden. Om de
kerk te straffen voor haar anti-republikeinse houding en haar gebrek aan
medewerking aan de staat, werden haar goederen in beslag genomen en in 1905
genationaliseerd. Sindsdien valt het onderhoud van religieuze monumenten onder
de verantwoordelijkheid van gemeenten, en dat van kathedralen onder de staat.
Wat destijds werd beschouwd als een schandaal voor de kerk, is achteraf gezien
een kans gebleken: de kerk blijft haar enorme erfgoed tot haar beschikking
houden, zonder zich zorgen te hoeven maken om het, vaak kostbare, onderhoud
ervan.
Tegelijkertijd
maakte de officiële scheiding tussen kerk en staat het mogelijk dat burgers hun
geloof voortaan in alle rust kunnen belijden (iets wat in de moderne Franse
geschiedenis lange tijd verre van vanzelfsprekend was), dat ze konden
overstappen naar een ander geloof of dat ze helemaal nergens meer in hoefden te
geloven. In het licht van deze bevrijdingsgolf moet ook de heftigheid van
het publieke debat worden begrepen tijdens de eerste hoofddoek-affaire in 1991
in Creil: ondanks een onmiskenbare angst voor de islam, en - maar dat is minder
zeker -, een groot enthousiasme voor de feministische theorieën over
emancipatie, is deze heftigheid naar mijn mening ook in verband te brengen met
de hervorming van de katholieke kerk.
Het
feit dat de discussie over de hoofddoek gaat, en niet over de baard, de djellaba
of couscous, is geen toeval: de hoofddoek wordt door veel Fransen boven alles
gezien als een terugkeer van de nonnenkap, waaraan velen nachtmerries uit hun
jeugd hebben overgehouden. De strijd tegen de hoofddoek moet dan ook niet gezien
worden als een strijd uit angst tegen de islam, maar als een soort
Pavlov-reactie van een bevolking die zich juist met veel moeite had losgemaakt
van het katholieke gezag: veel inwoners van de regio rond Parijs zijn tenslotte
plattelanders die de sociale controle en de invloed van de kerk in hun dorp zijn
ontvlucht. Zowel de journalisten als de docenten die betrokken waren bij de
hoofddoekjesaffaire in Creil zijn door hun achtergrond, zowel uit sociologisch
als uit demografisch oogpunt, extra gevoelig voor de problematiek rond de
scheiding tussen kerk en staat: hun persoonlijke ontwikkeling is vaak getekend
door de strijd tegen het kerkelijk gezag. In 1999 zegt een onderwijzeres uit de
regio rond Parijs over het dragen van een hoofddoek: ‘Ze zijn terug!’. En
daarmee doelt ze niet op de inval van de Moren (in de 8e eeuw), maar
op de nonnen uit haar jeugd. Een ander: ‘Sinds het begin van deze affaires heb
ik dezelfde nachtmerries die ik had toen ik een klein meisje was: allemaal van
die ‘vrome zusters’ die me achternazitten. Terwijl ik toch dacht dat ik dit
hoofdstuk voorgoed had gesloten’. Hoofddoekjesaffaires zoals die in Creil zijn
dus niet alleen te wijten aan angst voor
de islam of aan een algehele godsdienstige intolerantie, maar zijn ook de uiting
van een post-traumatische reactie als gevolg van de vroegere strijd tegen de
katholieke kerk.
Aan
de andere kant hebben de vele processen en media-drama’s over de strijd tussen
meisjes die een hoofddoek dragen enerzijds, en de school of de politiek
anderzijds, ook laten zien dat er onduidelijkheid bestaat over het doel van de
scheiding tussen kerk en staat en over de middelen die worden aangewend om deze
scheiding te realiseren. In de reacties op de hoofddoek wordt de scheiding
tussen kerk en staat een doel op zich, terwijl ze een eeuw daarvoor slechts een
middel was. Het inperken van de macht van de katholieke kerk door de staat en de
inbeslagname van een gedeelte van haar goederen kwam voort uit een zeer nobele
behoefte, namelijk de behoefte van de Fransen om zelf hun geloof te kiezen. Maar
ze was zeker niet bedoeld om het katholieke geloof te onderdrukken.[11]
Sinds de hoofddoekjesaffaire in Creil is echter het oorspronkelijke doel van de
scheiding tussen kerk en staat (de bevestiging van de neutraliteit van de staat
en burgers de ruimte geven hun eigen geloof te belijden) naar de achtergrond
verdwenen om plaats te maken voor maatregelen zoals het verbod op zichtbare
tekens van religieuze gezindte, die een eeuw eerder werden ingevoerd . Het gaat
mij dus niet om de Franse scheiding
tussen kerk en staat die bij deze affaires in het geding is, maar om de enge
interpretatie daarvan door de politieke elite (ik kom daar nog op terug) en een
gedeelte van de media, waarbij onderhuids de eeuwenlange strijd van vele Fransen
tegen de katholieke kerk meespeelt.
De
bijzondere vorm van het Franse integratie-model heeft dus twee hoofdoorzaken: de
veelvormigheid aan talen en culturen die Frankrijk kent,en het vroege tijdstip
van de demografische transitie, waardoor de staat zich genoodzaakt zag zijn
burgers uit het buitenland aan te trekken.
Toch
wijzen vele recente gebeurtenissen erop dat de integratie zich in een crisis
bevindt. Twee factoren spelen hierbij een rol: het opkomend terrorisme en een
gebrek aan evenredige politieke vertegenwoordiging van minderheden.
Voordat
de Verenigde Staten er op een 11e september achterkomen dat niet iedereen op hun
hand is, maakte Frankrijk al eerder op kleinere schaal een vergelijkbare schok
mee. Terwijl de aanslagen van eind jaren
tachtig, die duidelijk waren gefinancierd door Iran, slechts de Parijzenaars
terroriseerden, leidden de aanslagen door Fransen van Noord-Afrikaanse afkomst
midden jaren negentig ertoe dat men het Franse integratiemodel ter discussie
ging stellen. Sinds de sociaal-democratische Parti Socialiste en de
anti-racistische beweging SOS Racisme aan het begin van de jaren tachtig de
vreugdevolle multiculturaliteit van het revolutionaire Frankrijk hadden
uitgeroepen, leek alleen de verkiezingsscore van het Front National een spoedige
integratie van de zogeheten Beurres[12]
nog in de weg te staan. Het feit dat Fransen zoals Khaled Kelkal[13],
die in principe geïntegreerd zijn, dat wil zeggen: perfect Frans spreken,
ingeburgerd en hoog opgeleid zijn, zich met zo veel haat tegen hun vaderland
keren, zelfs terrorist kunnen worden, heeft ertoe geleid dat journalisten,
publicisten en sociologen de ‘integratiemachine’ van de Republiek ter
discussie gingen stellen.
De
cijfers spreken boekdelen. Terwijl het percentage van exogamie van migranten,
dat wil zeggen: het percentage huwelijken dat buiten de eigen etnische of
religieuze groep wordt gesloten (hetgeen door velen wordt beschouwd als een
goede graadmeter voor integratie[14])
in Frankrijk een van de hoogste is in heel Europa, is de werkloosheid onder
migranten ook het grootst. In 1999 was het werkloosheidspercentage onder mannen
gemiddeld 9,8%, onder vrouwen was dat 13,9 %. Daarbij was het percentage onder
inwoners van Frankrijk die in Italië, Portugal of Spanje geboren waren relatief
gelijkwaardig (respectievelijk 13,2%, 7,1% en 11,9% voor de mannen en 11,3%,
8,9% en 11,2% voor de vrouwen), terwijl de percentages voor de Fransen van
Noord-Afrikaanse afkomst veel hoger lagen: tussen de 26 en de 29% van de mannen
en tussen de 36 en 43% voor de vrouwen (recordhouders waren de vrouwen van
Marokkaanse afkomst)[15].
Het werkloosheidpercentage onder alle migranten is 18,8% voor de mannen en 21,8%
voor de vrouwen. Er zijn al honderden wetenschappelijke artikelen geschreven
over discriminatie tijdens sollicitatiegesprekken of bij het toewijzen van
woonruimte.[16]
Ondanks scholingscijfers en diploma’s die min of meer overeenkomen met die van
autochtone Fransen met eenzelfde sociale achtergrond, is het aantal werklozen
onder kinderen van migranten veel hoger dan onder hun autochtone
leeftijdsgenoten. Ondanks het feit dat ze perfect Frans spreken, beschikken over
de juiste diploma’s en de waarden van de republiek onderschrijven, worden
kinderen van migranten in het dagelijks leven toch gediscrimineerd: bij het
vinden van een baan , het zoeken van woonruimte of in hun vrije tijd…
Een
van de meest aannemelijke verklaringen voor het feit dat een groot deel van zijn
kinderen de Republiek afwijst, ligt naar mijn mening in het gevoel van een
teleurgestelde liefde. Net als alle Franse kinderen groeiden ook de Khaled
Kelkals op met het idee dat je met een goede opleiding harmonieus zou kunnen
integreren in de Franse samenleving: met een Franse vrouw, een baan, een huis in
een buitenwijk en een auto voor de deur. Hun oudere broers hebben het
geprobeerd. Ze studeerden af aan de Franse universiteiten met indrukwekkende
diploma’s. Maar daarna liepen ze op tegen het racisme van werkgevers en tegen
de intolerantie van de rijkere autochtonen, die weigerden hun een appartement te
verhuren of een lening te verstrekken. Als reactie hierop ontwikkelden ze een
nieuwe identiteit, en hervonden hun denkbeeldige, maar zeker niet Franse,
wortels in de islam of in het terrorisme. Zo gaven ze blijk van hun
teleurstelling in een Franse maatschappij waar ze zo veel van hadden gehouden,
maar die hen uiteindelijk in de kou liet staan. Deze reacties waren naar
verhouding even heftig als de verwachtingen die de Republiek gewekt had. Als men
zich verbaast over het feit dat de VS niet
eerder onder ogen heeft gezien wat voor woede haar arrogante houding en de beloften van wereldwijde vrede en welvaart
opwekten[17],
kan men de hevige reactie van haat van sommige Fransen van de tweede generatie
slechts bewonderen. Hun nihilistisch en zelfdestructief gedrag bewijst alleen
maar hoe ze heilig hebben geloofd in de mogelijkheid van hun integratie
In
tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd, zijn deze hevige reacties niet het
bewijs van een mislukte integratie, maar juist van een integratie die boven verwachting geslaagd is. De mediagenieke en omstreden[18]
Malek Boutih, tot voor kort voorzitter
van SOS Racisme, benadrukte voortdurend hoe vreemd het was dat Frankrijk niet
wilde geloven in de uitzonderlijke integratie van de zogeheten beurres,
en ervan overtuigd bleef dat zij nooit echte Fransen konden worden. Die
exclusieve toekenning van 'francitude' aan alleen autochtone Fransen (‘de
souche’)[19]
heeft naar mijn mening niet zozeer te maken met een racistische houding van de
gemiddelde Fransman, maar meer met de enge invulling van het begrip
‘universalisme’ door de Franse politieke elite.
Dit
wat ik ‘particularistisch universalisme’ noem[20],
biedt feitelijk een cultureel handvat om de paradox te begrijpen van de
maatschappelijke aanwezigheid van grote Franse culturele minderheidsgroepen (in
het bijzonder Noord-Afrikanen) enerzijds en hun bijna totale afwezigheid in het
nationale parlement anderzijds. De mate van politieke vertegenwoordiging is
volgens mij, naast de gebruikelijke indicatoren als het werkloosheidspercentage,
de scholing van kinderen en de hoeveelheid gemengde huwelijken, een goede
graadmeter voor integratie. Het feit dat de ouders van verscheidene belangrijke
ministers van 'vreemde' origine zijn (zoals bijvoorbeeld Nicolas Sarkozy, die
van Hongaarse afkomst is, en vele ministers
van Poolse, Italiaanse of Joodse (zowel asjkenazische als sefardische) kom-af
gingen hem al voor), bewijst dat deze bevolkingsgroepen perfect geïntegreerd
zijn.
Het
‘particularistische universalisme’ is een enge interpretatie van het
universalisme. Door middel van uitsluitingsmechanismes (beschuldigingen
van bevoordeling van de eigen groep in het geval van homo-organisaties en
moslimgroeperingen, of het benadrukken van de over-emotionele reacties van
vrouwen), eigent een dominante groep zich het recht toe tespreken namens het
universele. Het is een proces dat op bewonderenswaardige wijze is belicht door
feministische auteurs als Monique Wittig en Christine Delphy, die niet alleen
laten zien hoe de uitsluiting van vrouwen werkt, maar ook die van de lagere
klassen (voor wie wetenschappelijke deskundigen bepalen wat goed voor ze is) en
etnische en seksuele minderheden (die worden beschuldigd van bevoordeling van de
eigen groep of van sectarisch lobbyisme).
Het
Franse kiessysteem is nogal bijzonder: een derde deel van de Eerste-Kamerleden
wordt elke drie jaar getrapt gekozen (zij hebben dus een mandaat van negen jaar)
door de ‘grands électeurs’ (kiesmannen). Deze ‘grands électeurs’ zijn
lokale volksvertegenwoordigers. Aangezien Frankrijk zo'n 36.000 gemeenten telt,
waarvan de overgrote meerderheid plattelandsgemeenten, wordt het land zwaar
oververtegenwoordigd door bewoners van het platteland. In verhouding komen twee
tot tien keer zo veel afgevaardigden uit een plattelandsomgeving dan uit een
stedelijke omgeving [21]
De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen in twee rondes.
Hiervoor wordt het land verdeeld in
kiesdistricten van gemiddeld honderdduizend personen,met weer de dezelfde
tendens tot oververtegenwoordiging van het platteland. In elk kiesdistrict wint
de kandidaat met de meeste stemmen in de tweede ronde , waarin men kan kiezen
uit de twee of drie kandidaten die in de eerste ronde als sterksten uit de bus
kwamen. Naast het feit dat het merendeel van de migrantenbevolking in de steden
woont (en dus een relatief klein
aandeel heeft in de Senaat ), zijn door dit systeem de grote partijen in het
voordeel, terwijl kleine partijen geen schijn van kans maken. Bovendien moedigt
het systeem de partijen ook bepaald niet aan om met verrassende kandidaten te
komen: omdat ze elke stem moeten bevechten, doen met name de grote partijen geen
moeite om de diversiteit van hun kandidatenlijst te vergroten door daarop
bijvoorbeeld een jongere, een vrouw of een allochtoon te plaatsen. De notabelen
(man, rijk, blank) bevinden zich in een veel betere positie en zij zijn degenen
die worden gekozen. Zelfs nadat de wet op de gelijke behandeling was aangenomen,
klaagden veel vrouwen dat zij door hun partij alleen werden gesteund in
kiesdistricten waar ze toch niet zouden winnen, terwijl de meest kansrijke
kiesdistricten werden gereserveerd voor de mannen.Soms gebeurde dit in lijn met
de wet gelijke behandeling (die niet een minimum aantal gekozen kandidaten
vaststelt, maar alleen een minimum aantal kandidaten), soms volledig in strijd
met de wet (partijen betalen liever een boete dan dat ze de verkiezingen
verliezen), maar in elk geval handelde men zelden in de geest van de wet.
Fransen van buitenlandse afkomst hebben terecht over een vergelijkbare
behandeling geklaagd. Het resultaat
is dat vrouwen zelden meer dan 10% van de zetels bezetten (zelfs nadat de wet op
gelijke behandeling in werking trad), terwijl allochtonen al blij mogen zijn als
ze erin slagen één op de 600 zetels binnen te halen.[22]
Over
het algemeen wordt de afwezigheid van minderheden
in de Franse politiek verdedigd met het argument dat het kiesstelsel niet werkt
en dat de allochtone kandidaten die wel meedoen vaak te weinig ervaring hebben.
Maar als de Franse politici werkelijk hun kiesstelsel zouden willen veranderen,
dan zou dat vrij gemakkelijk kunnen, namelijk via een wetswijziging. Men zou
bijvoorbeeld over kunnen stappen op een stelsel van evenredige
vertegenwoordiging, dat gunstiger uitwerkt voor politici die behoren tot een
minderheid. Dat ze dit nooit hebben gedaan is niet verwonderlijk: het zou
betekenen dat ze de macht zouden moeten delen.De grote partijen halen zelden
meer dan 40% van de stemmen , maar bezetten met dit stelsel wel het merendeel
van de zetels in de Kamer.
De
kwestie van onervarenheid van allochtone kandidaten is eveneens een oneigenlijk
excuus, dat ook wordt gebruikt om vrouwen en allochtonen uit te sluiten van
belangrijke posten - alsof alle autochtone mannen die worden gekozen wel al
twintig jaar ervaring hebben….[23]
Er
is één argument dat mijns inziens de arrogantie van de vertegenwoordigers van
de grote politieke partijen in Frankrijk (de linkse PS en de rechtse UMP) goed
samenvat: het argument van de politieke verdienste. De kleine partijen in
Frankrijk, de Groenen, de centrum-democraten van de UDF en het Front National
voorop, eisen al lange tijd dat er een stelsel van evenredige vertegenwoordiging
(voor tenminste een deel van de
zetels) komt. Immers, met slechts een paar procent minder stemmen kost hen al
zetels, soms verliezen ze zelfs al hun zetels.[24]
Deze
ongelijkheid tussen kiezers wordt vaak gerechtvaardigd door te wijzen op het
‘gevaar’ van de aanwezigheid van het Front National. Van het feit dat tussen
de 5 en de 10% (in het geval van de Groenen) of zelfs 15% (in het geval van het
FN) van de kiezers geen enkele vertegenwoordiger heeft, terwijl tussen de 15 en
de 20% van de stemmen voor UMP en de PS goed is voor vrijwel alle zetels in het
parlement, schijnt niemand onder de indruk te zijn.
Dus,
óf men verordent dat het Front National (of de Groenen) geen politieke partij
is, en dan is het aan de rechter om de betreffende partij
te ontbinden, óf men moet ervoor zorgen dat de de kiezers (tussen de 20
en 40% van de stemmen) beter vertegenwoordigd zijn in de Kamer. Deze censuur
vooraf van bepaalde partijen lijkt me des te problematischer, omdat het hun
politieke tegenstanders zijn die de censuur uitoefenen en een politiek systeem
handhaven dat die censuur in stand houdt. Deze selectie vooraf door de Franse
politieke elite toont aan hoe groot de politieke controle in een land als
Frankrijk is. Als zelfs vrouwen, die
toch de nieuwe wet gelijke behandeling achter zich hebben, er nog steeds niet in
slagen om gehoord te worden door hun mannelijke collega’s, en nog minder om
gekozen te worden, dan kan men zich indenken met welke
hindernissen allochtonen in de politiek te maken krijgen. In een land dat
in een ijzeren greep wordt gehouden door een politieke elite bestaande uit
rijke, blanke, heteroseksuele mannen, is het moeilijk voor te stellen dat
Fransen van de tweede generatie migranten gehoord, laat staan gekozen worden.
Gesterkt
door hun fysieke monopolie in de volksvertegenwoordiging, heeft de politieke
elite ook zijn interpretatie van het algemeen belang aan de Republiek opgelegd.
Tijdens discussies over het voorstel voor de wet op gelijke behandeling was een
deel van de argumenten tegen deze wet gebaseerd op een rigide interpretatie van
het algemeen belang, waarbij vrouwelijkheid werd opgevat als een parasitaire
identiteit . Een van de voornaamste argumenten tegen gelijke behandeling was
dat, zodra men onderscheid ging maken tussen verschillende vormen van algemeen
belang (en een beroep op vrouw-zijn werd beschouwd als de vraag om een
uitzondering te maken op het criterium van het algemeen belang), dit tot gevolg
zou hebben dat ook andere specifieke identiteiten in de wet zouden moeten worden
opgenomen, zoals etnische achtergrond, godsdienst of seksuele voorkeur. De
manier waarop vrouw-zijn werden beschouwd als uitzondering op het algemeen
belang, toonde aan dat het algemeen belang in de eerste plaats mannelijk
geconnoteerd was. Dit doet sterk denken aan het racistische, vrouwonvriendelijke
en homovijandige taalgebruik zoals bijvoorbeeld geanalyseerd door Tina Chanter,
waarbij het algemeen belang wordt bepaald door wat het niet is, dat wil zeggen:
niet- vrouw, niet-donker, niet-homoseksueel, niet behorend tot een kolonie ,
enzovoort.[25]
Een vergelijkbare enge interpretatie van universaliteit blijkt uit debatten rond
de hoofddoek, de afwezigheid van vrouwen en minderheden in het parlement en de
uitsluiting van de islam van het publieke debat, om
de meest spectaculaire voorbeelden maar te noemen. Fransen van de tweede
generatie moeten zich dus zien te ontwikkelen op de politieke en culturele
voorwaarden van de dominantie van rijke, blanke heteroseksuele mannen. Waar de
oudste zonen, nadat ze op voorbeeldige wijze hun school doorlopen hadden, alleen
maar mislukkingen en vernederingen hebben moeten ondergaan, zochten de jongere
zoons hun toevlucht bij het islamistisch terrorisme of bij een nihilistische
cultuur, bij een ideale islam die op een strenge manier het seculiere leven
reguleert, of bij een cultuur van collectieve zelfdestructie, waar men buiten de
reguliere maatschappij om, vervalt tot criminaliteit, drugshandel of streeft
naar sociaal aanzien door ritueel verzetten tegen de bestaande orde .[26]
Men
kan dus niet zeggen dat het alleen ligt aan de centralistische republikeinse
cultuur met zijn scheiding tussen kerk en staat, dat het Fransen van de tweede
of derde generatie migranten niet lukt om te integreren: Frankrijk heeft zich
juist positief onderscheiden door op een harmonieuze manier de verschillende
culturen die elkaar daar tegenkwamen met elkaar te integreren. En het ligt ook
zeker niet aan de onwil van migranten om zich aan te passen: zij hebben, door
hun beheersing van de taal en door een hele generatie van universitair
geschoolden af te leveren, laten zien dat ze sneller konden integreren dan wie
dan ook ooit had kunnen denken. Juist zij die om het hardst beweren dat
immigranten weigeren te integreren zijn degenen die hen het meest in de weg
staan om hun plaats in de Franse samenleving te vinden - een plaats die ze wel
zouden kunnen veroveren als
Frankrijk werkelijk een meritocratie zou zijn, een maatschappij waar iedereen
met dezelfde talenten en inspanningen dezelfde status kan
bereiken. Ik denk hier aan Franse werkgevers, die over het algemeen een
behoorlijke angst hebben voor buitenlanders, die de interessante functies
bewaren voor autochtone werknemers (en als het kan mannen), maar vooral aan een
politiek systeem dat wordt gedomineerd door elites die feitelijk in hun eentje
bepalen hoe iemand eruit moet zien, en die een enge interpretatie hanteren van
het algemeen belang van de Republiek. Deze enge interpretatie heeft de kinderen
van migranten gemarginaliseerd, zowel op het symbolische als op het politieke
vlak. Door hen de toegang tot de politiek te ontzeggen, weigert de elite naar
hun klachten te luisteren en in te zien dat de meeste migranten ruimschoots aan
hun verplichtingen op het gebied van integratie hebben voldaan, terwijl vele
autochtonen (bazen, onderwijzers, politici) hun taak juist
hebben verwaarloosd.
Ik
wil hiermee illegale, criminele of asociale praktijken van Fransen van de tweede
generatie niet goedpraten-. Veeleer zou ik de blindheid van de Franse politieke
elite willen benadrukken: de lijfelijke en politieke afwezigheid van etnische en
religieuze minderheden in de politiek is slechts een illustratie van de algehele
houding van een, in de termen van Rosanvallon, technocratische regering - een
houding die niet alleen betrekking heeft op de hier genoemde minderheden.
Dezelfde houding is ook te zien bij de behandelingproblemen van kernenergie,
landschapsbeheer, landbouwbeleid, het overheidsbudget of drugsverslaafden.[27]
Het lot van de kinderen van migranten is des te wreder, omdat ze de eerste
slachtoffers zijn van een vorm van repressie die erop gericht is om een beweging
de kop in te drukken die gecreëerd is door de blindheid van de Franse politieke
elite. Die vorm van repressie is wat de Engelsen simpelweg aanduiden als ‘
blaming the victim’.
______________________________
Camiscioli,
Elisa (2001) ‘Reproducing Citizens, Reproducing the ‘French Race’ :
Immigration, Demography and Pronatalism in Early Twentieth Century France’
in Gender & History nr.13.
Chambon,
Laurent (2002) Le sel de la démocratie,
l’accès des minorités au pouvoir politique en France et aux Pays-Bas. Proefschrift,
Universiteit van Amsterdam.
Chanter,
Tina (1998) ‘Postmodern Subjectivity’ in A
Companion To Feminist Philosophy, A.M. Jaggar & J.M. Young (ed.) Blackwell.
Duhamel,
Olivier (1993) Le pouvoir politique en
France. Paris : Seuil.
Duyvendak,
Jan Willem (1994) Le poids du politique.
Paris : L’Harmattan.
Gastaut,
Yvan (2000) L’immigration et l’opinion
en France sous la Ve République. Paris :
Seuil.
Kuijeren,
Mira van (2000) ‘Hoofddoekjesaffaires, over de Franse en Nederlandse
worstelingen met gesluierde leerlingen’ in Groniek
n°149.
Noiriel,
Gérard ‘1988) Le creuset français,
histoire de l’immigration XIXe-Xxe siècles. Paris :
Seuil.
Philips,
Anne (1995) The Politics of Presence, The
Political Representation of Gender, Ethnicity and Race. Oxford:
Oxford Press University.
Rosanvallon,
Pierre (1992) Le sacre du citoyen,
l’histoire du suffrage universel en France. Paris : Gallimard.
Schnapper,
Dominique (1991) La France de l’intégration,
sociologie de la nation en 1990. Paris : Gallimard.
Todd,
Emmanuel (1994) Le destin des immigrés,
Assimilation et ségrégation dans les démocraties occidentales. Paris :
Seuil.
Nota's
[1]
Een verduidelijking is hier wellicht op zijn plaats: de wet Toubon over de
Franse taal verbiedt het gebruik van andere talen
(zoals het Engels) niet, maar verplicht bedriiven en instellingen wel
tot het aanbieden van informatie in de Franse taal. Andere talen worden dus
niet verboden. De Europese wetgeving zegt trouwens hetzelfde, wat begrijpelijk
is: de consument moet in zijn eigen taal informatie kunnen lezen over de
producten en diensten die hem worden aangeboden.
[2]
Wat zou het mooi zijn als dat omgekeerd ook het geval was!
[3]
Naar schatting zijn er in de Eerste Wereldoorlog meer dan 120.000 Bretonse
soldaten omgekomen op een totale bevolking van 2,5 miljoen.Vergeleken met
het totale aantal slachtoffers van de oorlog, 1,3 miljoen Fransen op een
totale bevolking van 40 miljoen inwoners, betekent dat dat er anderhalf keer
zo veel inwoners van Bretagne zijn omgekomen dan er gemiddeld in het hele
land de dood vonden. Dat aantal is des te indrukwekkender, als je daarbij
nog eens rekent dat de burgerbevoling voor het merendeel gespaard bleef en
de oorlog zich grotendeels afspeelde in het oosten van het land. Nog altijd
wordt in heel Bretagne het verhaal verteld van de soldaat François Laurent
uit Melioneg, die ter dood werd gebracht omdat hij een bevel niet opvolgde
dat hij niet begreep omdat hij alleen maar Bretons sprak. ‘Sommigen zien
hierin de absurditeit van die oorlog, anderen de noodzaak om Bretonse
soldaten Frans te leren om daarmee het leger effectiever te maken.’
(Zie http://www.kerkvarker.org/fr/levr_27_period.html)
[4]
Gedurende deze periode van radicale demografische verandering daalde het
sterftecijfer drastisch, spoedig gevolgd door de daling van het
geboortecijfer.
[5]
Camiscioli 2001.
[6]
Zie Camiscioli 2001, die lang stilstaat bij het ‘raciale’ vraagstuk.
[7]
Met uitzondering van het onderwijs, waar deze regel is versoepeld, werken
benoemingen nog steeds op deze manier.
[8]
'Francitude' verwijst naar een opvatting van Franse identiteit: het gaat dan
om nationaliteit, maar ook om de naleving van bepaalde normen, die het
individuen mogelijk maakt zich als Frans te beschouwen, ook al heeft men
geen Franse ouders.
[9]
Bewoners van het Île-de-France, de regio rond Parijs.